Tijdens de aankomende lessen gaan we achterhalen wat de woorden eh, namelijk, toevallig, zeg, ook en maar met elkaar gemeen hebben. Wat voor woorden zijn dit precies? Op welke plekken in de zin kunnen de woorden staan? Wat voor betekenis dragen deze woorden met zich mee? Deze kleine woorden dragen stiekem veel betekenis; de aankomende lessen onderzoek je hoe dit precies zit!
Les 1: Wat bedoel je toch?
- Ik herken een partikel in de geschreven en gesproken zinnen.
- Ik kan verschillende soorten partikels bij de juiste categorieën – tussenwerpsel, modale partikels, focuspartikels, bijwoorden, voegwoorden en aarzelingen – zetten.
Les 2: Wat zeg je nou?
- Ik kan een partikel op meerdere plekken in de zin plaatsen in geschreven en gesproken taal.
- Ik kan uitleggen welke functie en/of betekenis heen partikel in de zin heeft.
- Ik kan partikels die op verschillende plaatsen in de zin gezet kunnen worden vergelijken en beoordelen in de geschreven en gesproken taal.
Les 3: Hoe doe je dat dan?
- Ik schrijf met een klasgenoot het afgenomen interview met een familielid uit om vervolgens de verschillende functies, plaatsen en soorten van de partikels te kunnen achterhalen.
- Ik vul het uitgeschreven interview aan met verschillende soorten partikels die nog niet voorkomen in het afgenomen interview.
·
Reacties
Een reactie posten