Doorgaan naar hoofdcontent

Les 3: Hoe doe je dat dan?

De afgelopen twee lessen heb je kennis gemaakt met verschillende partikels in de Nederlandse taal. Je weet nu wat partikels zijn, waar in de zin ze geplaatst kunnen worden en wat voor betekenis de verschillende partikels met zich meedragen. Tijdens deze les ga je een interview voorbereiden  en afnemen bij een familielid naar keuze. Daarna gaan twee andere klasgenoten analyseren welke verschillende soorten partikels op verschillende plaatsen en met verschillende betekenissen in het interview voorkomen!

De opdracht

In tweetallen ga je een interview voorbereiden. Je gaat een familielid (vader/moeder/opa/oma/zus/broer) interviewen over zijn of haar sport of hobby. Het gesprek ga je opnemen met een familielid, daarna gaan twee andere klasgenoten het interview uitschrijven en de partikels selecteren, ordenen en aanvullen. 

De opdracht: deel I (5 min)

1. In tweetallen bereid je het interview voor. Van te voren moet je weten wat de favoriete hobby of sport van het geïnterviewde familielid is. Bereid minimaal vijf open vragen voor. Het interview kan óók telefonisch afgenomen worden!
2. De leerlingen zetten de spraakrecorder op zijn/haar telefoon alvast klaar. 
3. De leerlingen stellen zo veel mogelijk open vragen over de hobby of sport. De geïnterviewde beantwoordt de vragen. 
4. Als het interview is afgelopen, stuur je het audiofragment naar een ander duo. Geef ook aan welke hobby of sport centraal staat. Luister het voorbeeldfragment. 

De opdracht: deel II (10 min)

1. Je hebt een audiofragment gekregen van een ander duo. Jullie gaan het gesproken fragment uitschrijven. 
2. Op afbeelding 1 zie je hoe het uitschrijven (transcriberen) eruit moet zien. 

Afbeelding 1. Uitschrijven audiofragment.

3. Als je het fragment hebt uitgeschreven, ga je de partikels eruit halen. Onderscheid de zes soorten partikels. Op afbeelding 2 zie je een voorbeeld. 

Afbeelding 2. Onderscheid partikels

4. Als je partikels niet terugvindt in het gesproken fragment, vul je de uitgeschreven tekst aan met de partikelsoorten die er nog niet instaan. 
5. Markeer de toegevoegde partikels in de juiste kleur. 

De opdracht: deel III (5 min)
Analyseer de dialoog, beantwoord de volgende vragen: 
  • Op welke plekken in de zin komen partikels voor? 
  • Op welke plek zie je de meeste partikels staan? Hoe komt dat? 
  • Op welke plek in de zin staan de minste partikels? Hoe komt dat?
De opdracht: deel IV (10 min)
Analyseer de gevonden partikels. Geef per partikel aan wat voor betekenis ze dragen in het gesprek tussen de interviewer en de geïnterviewde. Op afbeelding 3 zie je een voorbeeld. 


Voorbeeld 3. Betekenis van partikels

De opdracht: deel V (10 min)
De bevindingen worden klassikaal uitgewisseld. De volgende vragen staan centraal tijdens het klassikale gesprek:
  • Welke partikels vielen op tijdens het uitschrijven van de fragmenten? Waarom komen deze partikels zo vaak voor?
  • Welke partikels komen nauwelijks voor in het audiofragment? Hoe komt dat?
  • Waar worden de partikels in de zin geplaatst? Hoe komt dat?
  • Wat voor betekenissen van partikels kom je vaak tegen?
  • Wat voor betekenissen van partikels vond je bijzonder?
  • Herken je typisch Brabants (of een ander dialect) bij de partikels? Waar in de zin werden deze 'dialect'partikels geplaatst?
  • Vind je dat partikels in de schrijftaal vaker moeten terugkomen? 

Reacties