Doorgaan naar hoofdcontent

Les 1: Wat bedoel je toch?

 Tijdens deze eerste les leer je wat de kleine woordjes precies zijn & welke verschillende kleine woorden er zijn! 

Startopdracht (5 min)

Bekijk het onderstaande filmpje. Noteer individueel wat er opvalt aan de taal. Na het filmpje worden de antwoorden klassikaal besproken. 



Opdracht 1. Het valt op, of nie? (10 min)

1. Bekijk de onderstaande voorbeelden.

Afbeelding 1. Voorbeeldzinnen

2. Noteer individueel wat je opvalt aan de schuingedrukte, onderstreepte woorden. 
3. Kijk in viertallen naar de antwoorden op vraag 2. Welke overeenkomsten en verschillen zien jullie tussen de woorden? Noteer uiteindelijk 3 dingen die jullie het meest opvallen.
4. De opvallende onderdelen uit de voorbeeldzinnen worden klassikaal besproken. Wat valt er op? Welke overeenkomsten zie je tussen de zinnen? Welke verschillen zie je tussen de zinnen?

Theorie (5 minuten)
De kleine woordjes die jullie net bestudeerd hebben noem je partikels. Partikels zijn kleine woordjes met een grote betekenis die heel vaak in de spreektaal worden gebruikt en ook regelmatig in de schrijftaal. Partikels kunnen meerdere soorten, plaatsen én betekenissen hebben die dicht bij elkaar liggen.

In de volgende opdracht ga je de soorten partikels koppelen aan een voorbeeldzin. Zo kom je erachter welke soorten partikels er allemaal zijn.


Opdracht 2. Wat zijn de verschillen dan zeg? (15 min)

1. Bekijk de soorten partikels en de voorbeeldzinnen.
Afbeelding 2. Soorten parikels & voorbeeldzinnen

2. Koppel individueel de soort partikel aan het juiste voorbeeld. Schrijf de combinaties op. 
3. De combinaties worden klassikaal besproken. Welke voorbeeldzin heb je aan welke betekenis gekoppeld? Leg uit hoe je tot je antwoord bent gekomen. Zijn er leerlingen die een ander voorbeeld hebben? Welke voorbeeldzin past het beste bij de betekenis? 

Huiswerk
Bedenk in tweetallen bij elke soort partikel een nieuw voorbeeld. Stuur de zelfverzonnen voorbeeldzinnen naar de docent!




Reacties